Koeien voeren

Frank Verhoeven is afgestudeerd aan de Wageningen Universiteit met als specialisatie veevoeding. Hij is er stellig van overtuigd dat het voeren van melkkoeien voor gezonde dieren met een optimale melkproductie en dikke liters (veel kg vet en eiwit) niet zo moeilijk hoeft te zijn. Na jaar-op-jaar de succesverhalen uit de praktijk gehoord te hebben, denkt hij een aantal belangrijke ingredienten gevonden te hebben:

  • veel versgras
  • goed hooi om bij te voeren
  • bierbostel

Gezonde koeien produceren uit zichzelf veel melk. De truck is om een uitgebalanceerd rantsoen te voeren dat zoveel mogelijk afkomstig is van het eigen bedrijf. Op onze site “duurzaam boer blijven” verzamelen we alle achtergronden over rantsoenen.

Van voer tot melk.

MELK BLOED RANTSOEN
Eiwit Aminozuren Eiwit
Lactose PropionzuurGlucoseAminozuren zetmeel/pectinebestendig zetmeel
Vet AzijnzuurBoterzuurVetzuren

glucose

aminozuren

CelwandenSuikersVet (<3%)

 

Het verteringsproces staat hieronder schematisch weergegeven:

Van eiwit kun je koolhydraten en vet maken maar niet andersom! Van koolhydraten kun je alleen vet maken. Bij een overmaat aan eiwit (positieve OEB), wordt het gebruikt voor de productie van melksuiker (lactose). Een hoogproductieve koe heeft over het algemeen een probleem om het benodigde melksuiker geproduceerd te krijgen (negatieve energiebalans) en zet dan eiwit (aminozuren) om in suikers (glucose). Bij deze omzetting komt ammoniak vrij als afvalproduct. Ammoniak is giftig voor de koe en wordt door de lever zo snel mogelijk afgebroken tot ureum. De ureum komt in te grote hoeveelheden via de urine in de N-min van de drijfmest (de vluchtige fractie). In de melk zie je dit terug in te hoge ureum gehaltes. Een hoog ureum betekent dus een slechte stikstofbenutting in de pens en veel stikstofverlies

Hieronder de schematische spijsvertering: Melkeiwit is dus voor het belangrijkste deel afkomstig van microbieel eiwit uit de pens en voor een deel uit bestendig eiwit (samen het DVE). Het DVE-verhaal resulteert pas in een betere N-benutting als het ruw eiwit (RE) gehalte in het rantsoen laag is. Het RE-gehalte moet in verhouding staan met de energie (VEM). Daar moet een factor van ongeveer 6,25 tussen zitten. Dat wil zeggen dat bij een rantsoen van 950 VEM, een RE van 150 hoort en bij een rantsoen van 850 VEM, een RE van 135. Voor hoogproductieve koeien mag die factor best nog wat oplopen, omdat het eiwit gehalte dan ook vaak lager is.

Lactose is afkomstig uit propionzuur en glucose, maar kan ook gevormd worden uit aminozuren (eiwit). We streven er echter naar dat zo min mogelijk eiwit oneigenlijk gebuikt wordt voor de productie van melksuikers. Dit resulteert in een onnodig hoge ureum excretie in de urine. Het lactosegehalte geeft ook de weerstand van de koeien aan. Dit getal moet voor een goede gezondheid en persistentie in ieder geval boven de 4,50 liggen.

Melkvet kan naast uit vetzuren, zowel uit eiwit als uit koolhydraten gevormd worden. Celwanden en suikers uit het rantsoen worden met name tot vet omgevormd. Het is mogelijk dat de fermentatie niet optimaal kan plaatsvinden door de vorming van vorming van schadelijke micro-organismen. Dit leidt tot de productie van meer ammoniak en schadelijke stoffen in de mest en een verlaagde opname van voedingsstoffen in de dunne darm van de koe. Daarnaast kunnen de schadelijke stoffen ook in het bloed komen en de weerstand van de koe aantasten. Door het voeren van 100-150 gram ImPact worden deze schadelijke stoffen (toxinen) uit de spijsvertering geadsorbeerd. Bovendien werkt het als katalysator (versnelling van de afbraak en opbouw van eiwitten) in de pens en is het een koolstofbron bij de vorming van eiwit. Het eiwitpercentage in de melk blijft minimaal gelijk, want de stikstofbenutting wordt een stuk hoger. Dit heeft een positieve invloed op de drijfmest.

Goede mest? Kwalitatief goede mest is naar onze mening mest met een ruimere verhouding tussen koolstof (= C of energie) en stikstof (= N of eiwit), een C/N verhouding van meer dan 10. Dit kan gerealiseerd worden door minder eiwit (N) te voeren, meer koolstof (C) in de vorm van structuur. Goede mest bevat 2/3 organisch gebonden N (N-org) en 1/3 minerale N (N-min). Het totale stikstofgehalte is vanwege een hogere benutting lager dan gemiddeld, maximaal 4,0 gram per kg. En de mest is wat droger met een drogestof percentage van minimaal 10%. Goede mest stinkt niet, er vindt weinig emissie van ammoniak (stikstof) plaats en er zitten minder schadelijke stoffen in. Goede mest is beter voor het bodemleven en heeft het een hogere bemestende waarde op de langere termijn.

Andere factoren voor het produceren van goede mest:
+ gebruik (koolzaad)stro in plaats van zaagsel in de boxen
+ gebruik van voetbaden beperken
+ reinigingsmiddel melkstal niet in de mestput lozen
+ geen kalk in de boxen gebruiken